|
De Romantiek kent als muziekstroming vele
vertegenwoordigers. Eén van de belangrijkste, met name voor Midden-Europa
en vooral Bohemen (Tsjechië) was Antonin Dvořák.
In nieuwsbrief 19 van de Duetsalon, die als thema had
‘het Romantisch duet’, is al kort
ingegaan op zijn persoon, geplaatst in de tijd van de Romantiek
(1800-1890). Uit deze nieuwsbrief zijn de relevante gegevens overgenomen.
In de biografie over Charles Villiers Stanford
figureert Dvorák eveneens en dus is het lezen daarvan ook nuttig.
Omdat zijn persoon niet te begrijpen is zonder een goede
kennis van de historische situatie op dat moment wordt hieraan in déze
biografie een apart hoofdstuk gewijd.
Zoals gebruikelijk geven de laatste hoofdstukken een
kort overzicht van zijn muziek in het algemeen en met name van zijn solo-
vocale muziek geschikt voor alt/ mezzo en van duetmuziek voor de sopraan-alt combinatie.
Hoofdstukindeling:
- (Politiek)-Historische
achtergronden: de geschiedenis van Bohemen, met name in de 19de
eeuw
- De
Romantiek en het muzikale Nationalisme
- Een
biografie van Dvořák
- De
werken van Dvořák in het algemeen; vocale solo`s voor alt/ mezzo
en SA-duetten
1.(Politiek)-Historische achtergronden: de
geschiedenis van Bohemen, met name in de 19de eeuw
|

|

|

|

|
|
Bohemen ca. 1000 na Chr.
|
Bohemen, bezit van de
Oostenrijkse Habsburgers 1648
|
Bohemen: Situatie 1871
|
Tsjecho-Slowakije 1919 onafhankelijk
|
Op bovenstaande landkaarten is de uitermate ingewikkelde
geschiedenis van de Tsjechen en Slowaken enigszins te volgen: Slowakije
werd al vroeg in de geschiedenis ingelijfd door de Magyaren (Hongaren) en
hoorde tot 1918 bij Hongarije.
Bohemen en Moravië verenigden zich en in de 10de
eeuw werd het land gechristianiseerd door Václav die uiteindelijk de
Duitse keizer als leenheer moest erkennen. Zijn heidense
broer verweet hem een zwakke houding en liet hem vermoorden. Václav werd
later heilig verklaard (de heilige Wenceslaus) en werd de patroonheilige
van het land. In de 14de eeuw kende Bohemen een bloeitijd en
werd in Praag de eerste universiteit van het Heilige Roomse Rijk (= Duitse
rijk) gesticht.
De 15de eeuw was de eeuw van de Hussietenoorlogen (vorm
van protestantisme).
In de 16de eeuw namen de Habsburgers de
Boheemse kroon over van hun Poolse voorgangers en in de eerste eeuw van hun
bestuur bloeide de cultuur aan het Praagse hof enorm: de componisten
Philippe de Monte en Hans Leo Hassler werkten er onder andere.
De Tsjechische protestantse edelen werden echter steeds
meer ontevreden over de toenemende invloed van de katholieke Oostenrijkse
adel en eisten volledige godsdienstvrijheid. De Dertigjarige Oorlog
ontstond (1618-1648) en uiteindelijk verloor Bohemen de staatsrechterlijke
zelfstandigheid binnen het Heilige Roomse Rijk en de Tsjechen en Moraviërs
moesten hun godsdienst opgeven. Veel Tsjechische edelen werden onthoofd of
vluchtten het land uit. Praag en veel andere steden werden volgebouwd met
‘super’- barokke kerken en paleizen, maar de bevolking werd onderdrukt,
leefde in grote armoede en moest weer katholiek worden. Het Duits werd de
voertaal en het Tsjechisch overleefde alleen nog als taal op het platteland
bij de onderste lagen van de bevolking.
Op de dorpsscholen werd wel les gegeven in het
Tsjechisch én er werd speciaal in Bohemen zeer veel aan muziekonderwijs gedaan
door de onderwijzers die ook altijd het (dorps)kerkorgel bespeelden. In de
18de eeuw werden de Tsjechen door een Engelse musicoloog ‘het
meest muzikale volk van Duitsland en misschien wel van heel Europa’
genoemd.
De meest begaafden kwamen terecht in de huisorkesten van
de adel of ze kregen vervolgonderwijs in kloosterscholen en op
jezuďetencolleges. Omdat de levensvoorwaarden in het buitenland beter
waren, trokken velen van hen weg uit hun land, naar Wenen of naar Italië,
Spanje of Frankrijk.
Tot in de 19de eeuw had het begrip ‘Bohemer’
alleen een geografische betekenis: ‘:iemand die uit Bohemen komt’, maar het
kon iemand zijn die Tsjechisch óf Duits sprak.
Rond 1800 vond de Tsjechische culturele renaissance
plaats via het Duits:
Onder invloed van J. Herders Stimmen der Völker in
Liedern waarin ‘de zachtaardige Slaven en hun volksaard’ opnieuw
ontdekt werden, groeide de
belangstelling enorm. De eerste krant in het Tsjechisch verscheen en een
leerstoel voor
Tsjechische taal en letterkunde werd in Praag geopend.
In 1823 werd voor het eerst een opera in de Tsjechische taal uitgevoerd.
Veel liberale Boheemse Duitsers sympathiseerden tot 1848 met het
cultureel-politieke streven van de Tsjechen naar zelfstandigheid. Daarna
groeiden ze uit elkaar en gingen de Tsjechen, hoewel ze Duits schreven,
‘Tsjechisch denken’. In 1861 werd de bouw van een Nationaal Theater door de
Boheemse Landdag goedgekeurd en in datzelfde jaar kwam, vijf jaar na
vertrek, Bedřich Smetana vanuit Zweden waar hij een eigen muziekschool
was begonnen, weer terug in Praag. Hij moest eerst zijn moedertaal nog
leren, maar werd uiteindelijk de grondlegger van de Tsjechische nationale
muziek.
Uiteindelijk verkregen de Tsjechen hun zelfstandigheid
na de 1ste Wereldoorlog in 1918, weliswaar niet geheel in de
gewenste vorm, omdat zij toen gedwongen werden één land te vormen samen met
de Slowaken.
2. De Romantiek en het muzikale Nationalisme
|
Fr. Revolutie Restauratieperiode Liberale grondwetswijziging steeds sterker wordend nationalisme
+ patriottisme modern imperialisme
opkomst
socialisme
Duitsland wint Frans.-Duitse oorlog impressionisme/ WO I
|
|
1800
- 1814 - 1848
1870 1880 1914
|
|
Componisten ‘zelfstandig’, dus onzekerder bestaan
Concerten tegen betaling
Muziek voor groot publiek
i.p.v. ‘hof’
Men gaat op tournée/ geeft recitals en muziekonderwijs
|
‘piano’ ontstaat
Liederen vooral in salons gezongen
Solistische recitals
én
Massale orkestraties
|
Welvaart bourgeoisie neemt toe
Industriële revolutie nu ook in Frankrijk
Muziekdrukkunst ontwikkelt zich
Grote publieke concerten
en beroepsdirigenten
|
Invloed van folklore en traditionele muziek
|
Muziek meer ‘ klassiek’
Overdrevenheid van vormen
Gigantische werken en orkesten
|
|
Vroege Romantiek
1800-1830
|
Hoog Romantiek
1830-1850
|
Late Romantiek
1850-1890
|
Eeuwwisseling/ Impressionisme
1890-1920
|
|
ßHaydn/Mozart/
Beethoven/Schubert /
Mendelssohn/ Schumann ŕ
|
Berlioz/
Bizet/ Wagner/ Offenbach/ Franck /
Brahms/ Grieg/Smetana/Dvořák/Tsjaikovski
Rubinstein
|
Wolf/Bruckner/Mahler
Fauré i.t.t. Saint
Saens
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Frankfurt Groep: groep
studenten die eind 1890 studeerde in Frankfurt a/ M aan het Hoch
conservatorium : afkeer van Beethoven;
richtte zich op de
‘klassieken’:
Schubert, Schumann, Brahms,
Grieg en Fauré (the French
Connection)
|
|
Neudeutsche Schule : invloed Berlioz, /Mozart,
Bach, Beethoven: op Franz Liszt (1811-1886) + Wagner (1813-1883) :
voorloper atonaliteit
|
|
Verisme
of Realisme: Comte Vincent d'Indy (1851 - 1931), Leoš Janácek (1854 -
1928), Ernest Chausson (1855 -
1899), Giacomo Puccini (1858 - 1924),
|
|
2de Weense school : ca.1920-1935;
teruggrijpen op 1ste
Weense school: Mozart, Haydn
en Beethoven; door Arnold
Schőnberg
en zijn ll. Alban Berg en Anton Webern; seriële
muziek
of dodecafonie.
|
|
Romantiek+ Nationalisme
In
Tsjecho-Slowakije: Bedrich Smetana (1824-1884)/ Antonin Dvorak(1841-1904)
In Groot-Brittannië : Charles Villiers Stanford (1852-1924); Hubert Parry (1848-1918)
In Noorwegen: Edward Grieg (
1843-1907)
In
Finland: Sibelius ( 1865- 1957)
In de V.S.: Edward
MacDowell (1860-1908)-studeerde ook in Frankfurt
Charles Ives (1874-1954)
|
|
(Franse)
Impressionisme : M. Ravel
(1875-1937)
gaf stimulans aan
impressionisme elders G. Fauré
( 1845-1924)
P. Dukas (1865-1935)
C.
Debussy (1862- 1918)
|
|
Nationalisme/ Impressionisme in
Rusland: Groupe des Cinq, m.n. A. Scriabin ( 1872-1915)
|
|
Impressionisme in Duitsland : Hugo Wolf (1860-1903);
Gustav Mahler (1860-1911)
|
|
Impressionisme in Italië : O. Respighi (1879-1936)
|
|
Impressionisme in Spanje : I. Albéniz
(1860-1909)
|
In de late achttiende eeuw was er grote politieke en
sociale onrust zoals de Amerikaanse Burgeroorlog, de Franse Revolutie en
het begin van de Industriële Revolutie, waardoor allerlei maatschappelijke
veranderingen zichtbaar werden. In alle kunsten ontstonden daardoor
natuurlijk ook veranderingen. De nieuwe stijlperiode, volgend op het
Classicisme, werd Romantiek
genoemd en besloeg het grootste deel van de negentiende en het begin van de
twintigste eeuw. Het romantische denken kwam het eerst naar voren bij schrijvers
als Goethe, Schiller, Heine, Byron, Scott en Wordsworth en bij een schilder
als Goya.
Vrijheidsdrang
was een belangrijke factor, maar de vernieuwingen gingen niet in één
bepaalde richting.
In de romantische literatuur werden middeleeuwse verhalen met jonkvrouwen en dappere ridders en veel mystiek beschreven,
in de schilderkunst ontstonden fantastische,
shockerende en exotische scčnes, aan
historische bronnen ontleend.
Daarnaast werden op zeer
realistische wijze actuele gebeurtenissen als opstanden (1830, 1848) en
massale veldslagen afgebeeld. De satire
werd gebezigd en de liefde voor
de natuur veelvuldig geuit. Allerlei nationalistische bewegingen vonden na 1850 hun weerslag in de
kunst.
Elke componist schiep zijn eigen idioom, een herkenbare
stijl. Daarom is het moeilijk om gemeenschappelijke kenmerken te geven,
maar “ vrijheid, beweging, passie en streven naar het ‘onbereikbare’,
vaagheid , suggestie en symboliek”waren dat in ieder geval. Het ritme in de
muziek werd gevarieerder, nieuwe maatsoorten werden mode en om de spanning
te verhogen werden syncopen toegepast. De tempi werden extreem snel of
uiterst langzaam. Chromatiek werd na 1850 veelvuldig gebruikt, verschillen
tussen luid (ff) en zacht (pp) werden groot en zeer plotseling voorgeschreven.
Nieuwe vormen en genres als ‘Lieder’ en liederencycli
ontstonden. Omdat er veel technische verbeteringen waren aan de
instrumenten en er bovendien nieuwe instrumenten kwamen (celesta, pauken,
harmonium, saxofoon, enz.) ontstonden er nieuwe klankkleuren in het orkest.
Ook kregen de musici een grondige professionele opleiding met de komst van
conservatoria.
De koormuziek
uit de Romantiek –missen, requiems
en Te Deums, meestal monumentale werken- werd niet voor de kerk, maar voor
de concertzaal gecomponeerd en uitgevoerd met een compleet orkest en ook
vaak met een extra orgel.
In bovenstaande tabel is een globale indeling gegeven
van de periodes van de Romantiek, de verschillende stromingen en de
vertegenwoordigers daarvan, maar het beeld van deze periode is hiermee niet
compleet: In de toekomst zal het zeker aangevuld worden met biografieën van
andere belangrijke vertegenwoordigers als Brahms, Grieg en Sibelius.
3.Een biografie van Dvořák
Antonín Dvořáks (1)
vader, František Dvořák, had een herberg en een slagerij, die hij van
zijn vader had geërfd. Zijn moeder Anna Zděnková was de dochter van
een rentmeester. Zij waren katholiek en trouwden in 1840. Antonín was in
1841 het eerste van hun negen kinderen.
Op 6-jarige leeftijd ging hij op school in Nelahozeves
en kreeg hij zijn eerste vioollessen. In 1853 vertrok hij naar Zlonice om
Duits te leren. Hij zong er in het kerkkoor bij Antonín Liehmann en kreeg
van hem piano- en orgelles, speelde mee in zijn orkestje én begon met
componeren. In 1856 ging Dvořák naar Česká Kamenice (Kamnitz) om
zijn Duits te verbeteren zodat hij naar de Duitstalige orgelschool in Praag
zou kunnen(1857). Hij werd aldaar
vrij snel altviolist in het orkest van de Caeciliavereniging.
Omdat hij na zijn afstuderen geen baan als organist kon
krijgen, werkte hij vanaf de zomer van 1859 als altviolist in het orkest
van Karl Komzák, dat in cafés, op marktplaatsen en in kiosken ouvertures,
dansen en potpourri's speelde.
Vanaf 1862 speelde het orkest van Komzák in het nieuwe
Praagse Interimtheater, dat – tot de bouw van het Nationaal Theater – het
enige theater was dat zich in zijn repertoire toelegde op ‘Tsjechische’
opera en toneel. Maar er was nog nauwelijks aanbod hiervan. Dat kwam pas
met Bedřich Smetana (zie h.2), wiens opera's De Brandenburger
in Bohemen en De verkochte bruid in 1866
in premičre gingen.
Vanaf 1865 gaf Dvořák ook pianolessen om genoeg
inkomsten te hebben. Twee bekende leerlingen waren de zusters Josefina en
Anna Čermáková. Dvořák werd verliefd op de toen zestienjarige
Josefina, maar de liefde bleek niet wederzijds; uiteindelijk trouwde hij
acht jaar later in 1873 met haar jongere zus Anna (zie verderop).
|

|

|

|

|
|

|
|
Josef Suk, vioolleerling
van Dvořák en later zijn schoonzoon
|
Bedřich Smetana
|
Het Nationale theater in Praag
|
Johannes Brahms
|
Josefina en Anna
Čermáková
|
Leoš Janáček
|
Intussen componeerde hij naast kwartetten ook twee symfonieën
en een concert voor cello en piano en was hij qua stijl van de Weense
klassieken (Haydn, Mozart, Beethoven) geheel opgeschoven naar de
Nieuwduitse School van Liszt en Wagner (zie h. 2). Samen met Smetana vooral
vormde hij de groep der Jong-Tsjechen. Zij streden tegen de Oud-Tsjechen
die vonden dat een nationale Tsjechische opera geheel gebaseerd moest zijn
op volksmelodieën. Smetana meende dat daar alleen maar liederenpopourri`s
uit zouden komen!
In navolging van Wagner schreef Dvořák in 1870 zijn eerste opera Alfred der
Grosze op een Duits libretto, maar die werd gedurende zijn leven niet
uitgevoerd. In 1871 was zijn opera Král a uhlíř (De Koning en de
kolenbrander) op een Tsjechisch libretto klaar, maar de (pas in 1873)
begonnen instudering werd snel afgebroken, omdat het werk als te virtuoos
gold en de vocale partijen als niet zingbaar beschouwd werden. Dvořák
herschreef de opera geheel en maakte er een veel simpeler Singspiel van,
ontdaan van alle Meistersinger-imitaties (2),
waarna het werk in 1874 met succes werd uitgevoerd. Om meer tijd voor het
componeren te hebben, stopte hij als altviolist in het operaorkest.
Zoals reeds vermeld trouwde hij in 1873 met Anna, die
altzangeres was. Volgens velen was het een gelukkig huwelijk, hoewel anderen
er aan twijfelen (3).
Steeds wanhopig op zoek naar voldoende inkomsten, gaf
Dvořák ook muziekles aan een privé-muziekschool en werd hij organist
in de Sint Adalbert`s kerk. In 1874 verkreeg hij bij van de
"Oostenrijkse commissie voor de kunst", waar de muziekcriticus
E. Hanslick in zat, een stipendium voor talentvolle,
jonge kunstenaars zonder vermogen, die al eigen werken gepubliceerd hadden.
Johannes Brahms die ook in die commissie zat, zorgde ervoor dat hij nog een
aantal jaar vervolgstipendia kreeg.
Toen zijn pasgeboren dochter Josefa in 1875 overleed, begon hij -om zijn
verdriet te verwerken- aan de eerste opzet van zijn Stabat Mater (4).
In hetzelfde jaar raakte hij bevriend met de jonge Moravische
componist Leoš Janáček.
In 1876 ontstonden zijn Moravische duetten. Op verzoek
van Brahms publiceerde de muziekuitgever Fritz Simrock deze (5). Compositorisch was Dvořák nu meer
op Brahms georiënteerd, wat onder andere te herkennen is in de Slavische
dansen, op. 46. Deze dansen betekenden zijn doorbraak in het
buitenland: Duitsland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten. Hierna
kreeg hij veel compositieopdrachten.
De Slavische periode van Dvořák die
gedateerd wordt vanaf 1878 eindigde rond 1882 vooral om politieke redenen:
De Boheemse Landdag begon toen een taalhervorming die de Duitse taal
weerde. Dit had in Oostenrijk en Duitsland tot gevolg, dat er een
anti-Tsjechische stemming opkwam, die ook voor een aantal uitvoeringen van
werken van Dvořák gevolgen had. In het Duitstalige buitenland werden
werken, die als Tsjechisch of Slavisch betiteld waren, nauwelijks nog
gespeeld.
|

|

|
Vanuit Engeland begon zijn internationale roem: vooral
zijn vocale muziek werd er enthousiast ontvangen (Stabat Mater -
1883). Hij bezocht het land diverse keren en kreeg opdrachten voor
oratoriumachtige werken. In 1884 schreef hij de cantate Svatební košile
(De Bruidshemden), in 1891 voor de stad Birmingham het Requiem
en voor het Leeds Festival in 1885 en 1886 het oratorium Svatá
Ludmila (De Heilige Ludmilla). Terwijl hij met het laatstgenoemde werk
nog druk bezig was, maakte De Bruidshemden snel furore in Engels
sprekende landen als de V.S. en Australië.
Peter Tsjaikovski bezocht hem in 1888 in Praag en via
hem ontving hij een uitnodiging van het Keizerlijk Russisch Muziek
Genootschap voor een concert in Moskou en een verzoek zijn eigen werk in
Petersburg te komen dirigeren.
In 1890 verleende de Universiteit van Cambridge hem een
eredoctoraat en de Praagse Universiteit moest zich fatsoenshalve haasten om
hem nu ook een doctoraat toe te kennen.
Van 1892 tot 1895 onderbrak Dvořák zijn docentschap
aan het Praags conservatorium (sinds 1891) om directeur te worden van het
door Jeanette Thurber gestichte National Conservatory in New York.
Zij streefde er al jaren naar een nationale Amerikaanse muziektraditie op
te bouwen en ze hoopte dat met behulp van
Dvořák te kunnen realiseren.
Dvořák had veel belangstelling voor de negermuziek
en was er van overtuigd dat deze als basis moesten gaan dienen voor de
toekomstige ‘nationale’ muziek. Naast het werk aan het conservatorium
dirigeerde hij op diverse plaatsen én componeerde hij een aantal stukken.
Zo ontstonden belangrijke "Amerikaanse" werken, als de symfonie
nr. 9 Uit de Nieuwe Wereld, dat zijn populairste compositie werd.
Omdat de Verenigde Staten in 1893 in een diepe economische crisis
verkeerden en de man van J. Thurber failliet dreigde te gaan, ontving
Dvořák haast geen salaris meer. Maar desondanks componeerde hij in
1894, op het hoogtepunt van zijn financiële zorgen, de Bijbelse Liederen,
opus 99. Met onderbrekingen verbleef hij drie jaar in de Verenigde Staten,
maar een Amerikaanse componistenschool heeft hij niet van de grond
gekregen.
Terug in eigen land verdiepte hij zich in de eigen
folklore en volkspoëzie en introduceerde een nieuw fenomeen in de
Tsjechische muziek: de ‘spraakmelodie’, gebaseerd op het ritme en de
intonatie van de Tsjechische taal. Veel schreef hij ook voor de zanger
Alois Göbl. Rusalka werd wel in 1901 zijn grootste theatersucces. In
datzelfde jaar werd hij zestig en dat leidde tot groots opgezette
festiviteiten in heel Bohemen. Zijn dochter Magda trad inmiddels ook
succesvol op als altzangeres. Zijn inspiratie was echter opgebrand en hij
kwam nauwelijks nog tot componeren.
Tamelijk onverwacht stierf hij in 1904 vermoedelijk aan een embolie
van een longslagader.
4.De werken van Dvořák in het algemeen; vocale
solo`s voor alt/ mezzo en SA-duetten
De nummering van Dvořáks werken is zeer verwarrend.
Dat komt omdat hij zelf veel jeugdwerken, al of niet van opusnummers voorzien,
vernietigd heeft. Sommige overgebleven werken hielden hun nummers, maar
vaak ook vervielen die óf ze werden aan ander werk gegeven. Soms werden
vroege werken met hoge nummers uitgegeven om ze ‘rijper’ te doen lijken of
werden latere werken van vroege nummers voorzien om ze als ouder werk,
buiten Simrock om, voor meer geld te kunnen verkopen aan andere uitgevers.
De Tsjechische musicoloog Jarmil Burghauser heeft het ontstaan van al
Dvořáks werken chronologisch vastgesteld en in zijn Thematische Catalogus
(1960) gepubliceerd.
Deze bevat veel Orkestwerken (symfonieën,
concerten, concertstukken, serenades, suites, dansen, ouvertures en
symfonische gedichten), Kamermuziek ( piano solo, piano vierhandig,
viool en piano, cello en piano, trio`s, kwartetten en kwintetten) en
Vocale werken:
-
opera`s en toneelmuziek
-
missen, oratoria en cantates
-
liederen voor een zangstem en piano
-
liederen voor een zangstem en orgel
-
liederen voor een zangstem en orkest
-
duetten en kwartetten voor
zangstemmen en piano
en verder nog: liederen voor gemengd
koor en voor mannenkoor a capella, en mannenkoor en piano
Voor de solo alt/ mezzo-stem zijn relatief veel
werken geschreven, omdat hij twee alten in zijn omgeving had: zijn vrouw
Anna en zijn dochter Magda. Een aantal andere solowerken is geschreven voor
zijn eerste liefde: de sopraan Josefa.
Via de site van Boosey& Hawkes is gemakkelijk te
vinden waar welk werk is uitgegeven én in welke ligging:
Biblical Songs (Bijbelse liederen) opus 99 (
low voice)
Gypsy songs (Zigeunerliederen) opus 55 (low voice)
Stabat Mater, opus 58- Alt solo: Inflammatus et
Accensus
De belangrijkste SA duetten zijn
De Moravische
duetten. Oorspronkelijk hebben ze de opusnummers 29, 32 en 38, maar 29 en
32 zijn later uitgegeven onder
het
gemeenschappelijke opusnummer 32/
Klänge aus Mähren (deel 1: 1 t/m 7; deel 2: 8 t/m 13)- (Simrock)
4 Duette fűr Sopran und Alt
Opus 38 (Simrock)
O sanctissima dulcis virgo
Maria, Opus 19a, is een duet
voor alt en bariton (oorspronkelijk
geschreven voor zijn vrouw
Anna en
Alois Göbl)
|