|
Elk
jaar opnieuw komt tegen half december in mijn geschiedenis- en
maatschappijleerlessen de vraag naar voren:
‘Wat wordt er
eigenlijk precies met Kerstmis gevierd? en heeft het Kerstfeest ook een
‘geschiedenis’?
Hieronder
I. mijn verhaal, aangevuld met
II. De ontwikkeling van het
Kerstlied door de eeuwen
I.
Omdat het verhaal van ‘Kerst’ zo gecompliceerd is, moet de bespreking ervan
uiteenvallen in verschillende subthema`s:
- de jaartelling ten tijde
van Jezus`geboorte: de Juliaanse kalender; ‘Oud en Nieuw’
- de ‘feiten’ met betrekking
tot de geboorte van Jezus en de uiteindelijke opname van zijn geboorte
in de Kerkelijke kalender
- ’25 december’ : de vermoedelijke voorgeschiedenis
van deze datum:
-
in
Egypte (Ra- en Isiscultus), Griekenland (Helios), Rome (Saturnalia/ Sol Invictus/
Mithrascultus)
-
in de Germaanse gebieden: de Midwinter- of Joelfeesten
-
andere godheden op deze dag geboren (niet verder
uitgewerkt)
- n.a.v. de opname van het
Kerstfeest in de Kerkelijke kalender: de (eerdere) belangrijkere data;
- de invoering van de
Christelijke jaartelling en het jaar 0
ad. 1 a. De jaartelling ten
tijde van Jezus`geboorte : de Juliaanse kalender
De
Romeinen hadden eerst een kalender die hoofdzakelijk was gebaseerd op de
maanfasen. Die kalender telde slechts tien maanden, waarvan martius (maart)
de eerste was. Later werden aan het eind van het Romeinse jaar de wintermaanden
Ianuarius en Februarius toegevoegd. Dat er oorspronkelijk
tien maanden waren, is nog te zien aan de naamgeving:
September
= 7de maand
Oktober = 8ste maand
November = 9de maand
December = 10de maand.
Een
gemiddelde maanmaand duurt iets meer dan negenentwintig en een halve dag,
zodat een periode van twaalf maanmaanden (een maanjaar) ongeveer elf
dagen korter is dan het zogeheten zonnejaar, dat op de seizoenen is
gebaseerd. Daardoor moest men af en toe een hele maand tussenvoegen om
maart in het voorjaar te houden. Daarvoor werd dan Februarius ingekort tot
drieëntwintig dagen en daarachter werd een maand van zevenentwintig dagen
tussengevoegd die Intercalaris of Mercedonius heette.
Omdat
de kalender op een bepaald moment helemaal niet meer klopte met de
seizoenen, heeft Julius Caesar dit rechtgetrokken. Hij laste in het jaar
AUC *708 (= 46 voor Chr.) 67 dagen
extra in tussen november en december,waardoor dat jaar dus 445 dagen
duurde. Hierna kwamen er voortaan drie jaren van 365 dagen gevolgd door een
schrikkeljaar. Caesar verlengde alle maanden met één dag om het verschil
met het zonnejaar op te vangen.
Omdat
de Juliaanse kalender nu weer een beetje te lang was en het kalenderjaar
steeds wat deed opschuiven ten opzichte van het zonnejaar, kwam er in 1582
een correctie: de Gregoriaanse kalender.
In
bepaalde Oosterse kerken wordt de Juliaanse kalender nog gebruikt als
liturgische kalender.
* ab
urbe condita=vanaf de stichting van de stad Rome
1b. Oud
en Nieuw ten tijde van Jezus geboorte en daarna
De
Romeinen vierden, zoals boven reeds vermeld, het begin van het jaar op 1
maart, ter ere van de oorlogsgod Mars, maar in 153 v. Chr. werd de
nieuwjaarsviering verplaatst naar 1 januari*.
De
Romeinen noemden 1 januari de ‘kalendae’, de ‘nieuwe maan’. Zij vierden het
nieuwe jaar op deze dag,
acht
dagen na de Saturnalia (zie hfdst. 3). De verplaatsing naar 1 januari had
ook te maken met de wisseling van de
overheidsambten in het begin van deze maand .
Met
zijn kalenderhervorming in 46 v. Chr. legde Julius Caesar 1 januari
definitief vast als begin van het jaar.
De
christelijke kerk vierde nieuwjaar niet als aparte feestdag, maar schreef
in 567 juist een driedaagse vastentijd voor vanaf 1 januari, wellicht om de
uitspattingen van de Kalendaefeesten tegen te gaan.
Later
werd Pasen alom het begin van het nieuwe jaar, toen Epiphanie (Driekoningen), vervolgens 25 december en
daarna de eerste adventsdag. De meeste vorstenhoven hielden echter vast aan
Pasen als nieuwjaarsdag.
De
Spaanse landvoogd Requesens stelde in 1575 voor de Nederlanden het begin
van het burgerlijk jaar vast op 1 januari. Met de invoering van de
Gregoriaanse kalender in 1582 werd dat ook voor de Kerk officieel de
nieuwjaarsdag, maar in sommige landen en delen van Nederland heeft het tot
1701 geduurd voordat deze dag als zodanig werd geaccepteerd.
*
Januari is genoemd naar Janus. Van hem werd verteld dat hij twee gezichten
had, dat hij met de ene kant naar het verleden keek en met de andere kant
naar de toekomst. Janus werd ook de god van de deur genoemd. Wanneer men
zich in een gebed richtte tot welke god dan ook, moest men eerst Janus
aanroepen, want hij stond symbool voor de deur waarlangs alle andere goden
te bereiken waren.
ad.
2 De ‘feiten’ met betrekking tot de
geboorte van Jezus
De
eerste christenen stonden niet of nauwelijks stil bij Jezus`geboortedatum .
Men was alleen bezig met zijn kruisdood en verrijzenis ( =Pasen, zie ook
hfdst. 4).
Er zijn
schrijvers die de geboorte in augustus plaatsen, op 28 maart, op 19 april
en ook op 20 mei.
Enige
theologen kwamen exact uit op 25 december, namelijk negen maanden na 25
maart, de dag waarop de schepping begon volgens sommigen.
Echter:
De bijbel is de enige bron met betrekking tot Jezus`geboorte en hierin
staan een aantal –gedeeltelijk- verifieerbare gegevens, maar geen heel
exacte data:
In de
evangelies van Marcus en Johannes staat haast niets, bij Mattheus staat
meer, maar Lucas, die ook geen ooggetuige is geweest maar een metgezel van
Paulus ca. 50 na Chr., vertelt het meest uitgebreid over Maria`s
zwangerschap, de belastingregistratie (=volkstelling) naar Bethlehem (de
stamplaats van Jozef), de engelen die de herders vertellen over de
geboorte, de besnijdenis en naamgeving
na acht dagen en Jezus`optreden op twaalfjarige leeftijd in de
tempel.
Ook
zijn er de gegevens uit Lucas 3: 1-23: ‘Jezus` publieke optreden op
ongeveer dertigjarige leeftijd, was in het vijftiende jaar van keizer Tiberius,
toen Pontius Pilatus stadhouder van Judea was en Herodes viervorst over
Galilea, en zijn broeder Filippus viervorst over Iturea en het land
Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene, onder de hogepriesters
Annas en Kajafas’.
Maier,
die in zijn boek probeert de ‘historische’ details met de ‘bijbelse’ te
‘verzoenen’, zegt over deze
gegevens
: ‘In tegenstelling tot veel andere
religies die een mythologisch figuur of iemand uit een ‘mistig verleden’ naar voren
schuiven, geeft het christendom feiten en data die wel ergens moeten
kloppen want anders zou het veel te gevaarlijk zijn die zo exact te
verstrekken’.
Anders
gezegd: het is waarschijnlijk wel zo dat de historische figuur Jezus
geboren is op enig moment en wellicht in Bethlehem. Het grote probleem is :
A.
de datering qua jaartal en
B.
het moment .
A. Een
volkstelling in het Romeinse rijk om Jezus`geboorte mee te dateren, is een
historisch controleerbaar feit, echter en dat onderwerp wordt verder
besproken in hoofdstuk 5, over welke volkstelling wordt precies gesproken,
dus over welk jaar hebben we het precies?
De
tellingen vonden plaats om de veertien jaar en werden gehouden in (na
omrekening): 48, 34 en 20 v. Chr.
(Lauvrijs)
en dan zou de reis naar Bethlehem wellicht in 6 voor Chr. gemaakt zijn bij
de volgende jaartelling.
B. Hoe
men ook tot de ‘juiste’ dag is gekomen -zie voor de vermoedelijke
voorgeschiedenis hiervan hfdst. 3-:
Op het
concilie van Constantinopel in 381 werd 25 december nogmaals vastgelegd als
Jezus`geboortedatum, nadat paus Julius I en de Romeinse keizer Constantijn
I al in 325 op het concilie van Nicea deze dag hadden uitgeroepen tot de
officiële en enige datum in plaats van 6 januari.
Men was
toen in hevige strijd gewikkeld met
het Arianisme –hier niet verder uitgewerkt- en de Roomse Kerk wilde
tegenover alle bedreigingen (zie hfdst. 3) grotere uniformiteit bereiken en
vaste data voor de belangrijke
feesten.
ad
3. ’25 december’: de –vermoedelijke-
voorgeschiedenis van deze datum:
|
A
B
C
|
de Egyptische
Ra- en Isiscultus, de Griekse Heliosverering, de Romeinse feesten van
Sol Invictus,
het
Mithracisme en de Saturnalia
de
Germaanse Midwinter- of Joelfeesten
Ook
in andere (veelal) Oosterse godsdiensten is sprake van 25 december als
geboortedag van de godheid en van een ‘maagdelijke’ geboorte. Enige
voorbeelden worden hieronder vermeld, maar niet verder uitgewerkt.
Belangstellenden kunnen deze
link bekijken:
Khrishna
zou in India op 25 december uit de maagd Maia geboren. Zijn oom wilde hem
doden
Buddha
zou ook op 25 december geboren zijn uit de maagd Maya, nadat ze in haar
zij was binnengedrongen door een olifant. Buddha`s geboorte werd door een
ster aangekondigd.
Verder
zijn Adonis en Dionysos ook op 25 december geboren.
|
A.
Rond de Middellandse zee werd op/ rond 25 december de zonnegod vereerd
onder verschillende namen:
-als Ra
in Egypte. Ra werd veel geassocieerd met andere goden. In het begin van
de Egyptische mythologie is hij samengesmolten met de valk waardoor hij
Re-Horakthy werd. Als de ochtendzon werd hij geassocieerd met Chepri en als
de avondzon met Atoem. Ra werd ook wel de 'vader en moeder' van alle
levende dingen genoemd
en in
latere Koptische teksten in de volgorde: Jezus, de heilige geest en
zonnegod Ra.
-Als Helios
in Griekenland. Helios (het Griekse woord 'ηλιος =
zon) was de zonnegod uit de Griekse mythologie. Hij was zoon van het
Titanenpaar Hyperion en Theia en de echtgenoot van Perseis. Hij, de heerser
van de nieuwe dag, reed met zijn stralende zonnewagen door de hemel en
bracht de mensen licht.
Helios
wordt altijd afgebeeld in een licht gewaad met een stralenkrans om zijn
hoofd en soms ook vereenzelvigd met de lichtgod Apollo.
-Als Sol
(Invictus) bij de Romeinen.
Het
festival van de onoverwinnelijke zon = Dies Natalis Solis Invicti ("verjaardag
van de onoverwinnelijke zon") werd gevierd kort na het lengen van
de dagen na de winterzonnewende, tijdens de ‘wedergeboorte’ van de zon
op 25
december.
De
titel Deus Sol Invictus verkreeg het eerst bekendheid onder keizer
Elagabalus die met geweld de verering van El Gebal of Elegabal, de
zonnegod van zijn geboortestad Emesa in Syrië, oplegde. Omdat Keizer
Aurelianus in Syrië een oorlog won onder bescherming van Sol Invictus,
introduceerde hij in 270 na Chr. de cultus als officiële staatsreligie
waarbij Sol de hoofdgod van het rijk werd en Aurelianus als keizer een
zonnekroon ging dragen.
Aurelianus riep 25 december
uit tot Sols geboortedag.
De
cultus van Sol Invictus bleef een belangrijk fundament voor het
keizerlijk gezag tot het decreet van
Theodosius
I op 27 februari 390 bepaalde dat alleen het christendom van
Nicea acceptabel was als religie.
Het christendom
nam enkele gebruiken over van de Sol Invictus cultus, onder andere in de
iconografie (zie boven), waarin Christus wordt afgebeeld met een zonnekroon
of in de zonnewagen van Apollo/Helios.
Verdere
‘relaties’ met 25 december:
-De saturnaliën
(Latijn: Saturnalia) was de naam die de Romeinen gaven aan de feestdag
op de zonnewende van 21 december
ieder jaar. Voor de (juiste?) onstaansgeschiedenis, de viering en
het grote belang van het feest zie deze link. Hoe
lang het feest exact duurde is niet bekend want de ene Romeinse auteur
vermeldde dat de saturnaliën slechts één dag duurde, terwijl
de andere ervan uitging dat het feest wel zeven dagen besloeg.
In
ieder geval lag het hele sociale leven stil op en rond die dag, want
iedereen nam deel aan het feest ter ere van de god Saturnus, die landbouw
en welvaart over hun land had gebracht. Slaven konden die dag op gelijke
voet met hun meester feest vieren en werden zelfs door hen bediend.
Vrienden en familie gaven ook geschenken aan elkaar. Het feest eindigde
vaak in buitensporige drink – en feestmaaltijden, waardoor saturnalia
in het Latijn ook 'orgie' ging betekenen.
-De
maagdelijke godin Isis beviel op 25 december in een moeras van haar
zoon Horus (de wedergeboorte van Osiris). Ze was gewaarschuwd door de god
Thoth dat ze moest vluchten en haar zoon moet verbergen voor de
kwaadaardige Set.
De
Isiscultus,, ontstaan in Egypte, verspreidde zich vanaf de 1ste eeuw v. Chr.
door het hele Romeinse rijk.
Veel
keizers waren aanhangers, maar het hoogtepunt was ten tijde van Caracalla
die in 215 een tempel voor haar liet bouwen. De cultus stond open voor
iedereen, dus ook voor slaven en vrijgelatenen en speciaal voor vrouwen.
Isis
was machtiger dan alle andere goden en godinnen en nam in de loop van de
tweede eeuw na Chr. steeds meer eigenschappen van hen over, d.w.z. de
andere godheden werden als verschijningsvormen van Isis gezien. Brood en
wijn (het bloed van Osiris) speelden een grote rol in de cultus.
Isis
was ‘una, quae es omnia’ (een, die alles is) en een reddende godin, die de
mensen kon verlossen uit de klauwen van het lot. Zij schonk troost, liefde,
bescherming, gaf hulp bij ziekte, bevallingen en rechtszaken en hoewel zij helemaal geen Christelijke betekenis had voorzag zij in de
behoefte aan een Goddelijke Moeder.
Isis voldeed aan alle normen. Het vroege
Christenvolk beschouwde de oude Egyptische graangodin als de Moeder aller
vrouwen.
‘Misschien is er best enig begrip op te
brengen voor de kerkvaders, toen zij in 395 na Chr. de naam van Isis van
het tempelfront in Efese lieten wegbeitelen en alles wat aan de Egyptische
godin herinnerde onder slopershamers lieten vergruizelen. Wat hadden zij te
maken met de godin, die de traditie van nog oudere heidense gods-moeders
had voortgezet? Wat moesten zij met een vrouw, aan wie in de vier
testamenten geen woord was besteed? Hoe kon je het volk opvoeden in het
Christelijk geloof als deze godin door de hoofden bleef rondspoken? Op het concilie
van Ephese in 431 werd Maria, de nauwelijks in de bijbel vermelde
moeder van Jezus, tot de Moeder Gods verheven. Vanaf dit besluit begon de
Isis-verering geleidelijk aan te veranderen in de Maria-devotie.
Schoorvoetend deed Maria haar intrede in de Christelijke dogmavorming’.
- De
oudste vermelding van Mithras, die later ook Sol Invictus werd
genoemd, is te vinden op kleitabletten uit 1400 vóór Chr. De Perzen
aanbaden hem als lichtgod. Mithras
werd in de loop der tijd steeds meer de zonnegod.
De legende vertelt over Mithras dat hij een stier doodde en
dat uit het bloed van die stier het leven op aarde ontstond. De stier was
het symbool voor het kwaad dat door hem werd overwonnen, waardoor hij de
mensheid verloste. Een maaltijd van brood en wijn die het vlees en bloed
van de stier verbeeldden, was een deel van het Mithras-ritueel. Over
Mithras werd verteld dat hij geboren was op 25 december in een grot. Deze
gebeurtenis werd verkondigd aan herders, drie koningen waren er getuige van
en de plaats werd aangeduid door een ster.
Hij had
twaalf discipelen en een laatste avondmaal. Hij werd in een graf in de
rotsen gelegd en herrees na drie dagen uit de dood. De voornaamste deugden
die zijn aanhangers nastreefden waren goedheid en naastenliefde.
De keizer als hoogste priester in de cultus, droeg de titel
'Pontifex Maximus', een eretitel die nu nog door de pausen wordt gedragen
en een van de eretekenen was de Mitra, de phrygische muts van Mithras, onze
'mijter’.
De
uitbreiding van zijn verering naar het westen in de 1ste eeuw na
Chr., verliep vooral via mensen die door de Romeinse legers slaaf werden
gemaakt. De Romeinse soldaten verspreidden de cultus, die alleen voor
mannen toegankelijk was, verder door het rijk.
In Rome
stonden meer dan honderd Mithrastempels, maar de cultus is altijd een
minderheidscultus gebleven en werd in 395 officieel onwettig verklaard.
Omdat Mithras voor de eerste christenen zo`n sterke tegenstander was,
hebben ze na hun uiteindelijke overwinning geprobeerd alle sporen van hem
uit te wissen. Vooral de afbeeldingen met de Mithras-maaltijd moesten het
ontgelden.
|

|
|
Germaans Midwinterfeest
|
B.
de Germaanse Midwinter- of Joelfeesten
De
Germanen vierden nieuwjaar op het feest van de nieuwe zon ( 25
december) tijdens het joelfeest
(Yule), waarbij rond de achtste dag, 1 januari, het hoogtepunt plaatsvond
met dierenoffers, veel eten, drinken en grote vuren. Het totale joelfeest duurde twaalf dagen (25 december- 6 januari ) en dat is nog
te zien aan het Engelse woord ‘Twelfth Night’ voor het driekoningenfeest op
6 januari (zie ook hoofdstuk 4).
In Nederland werd 6 januari nog lang Dertiendag genoemd.
Dat
veel mensen in Europa nog lang vasthielden aan ‘hun eigen goden en
rituelen’, blijkt wel uit de bepaling van
Paus
Gregorius de Grote (590-604) dat feesten van gekerstende heidenen voortaan
gevierd moesten worden als christelijke feesten: ‘De feesten waarbij men
honderd koeien offerde aan de valse goden, zullen verder gevierd worden als
grote christelijke feesten’.
ad
4. de (eerdere) belangrijkere Kerkelijke data
Pasen
was van oudsher het belangrijkste feest van het kerkelijk jaar. De
Joden die de uittocht uit Egypte vierden
(=Pesach)
en de Christenen die het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus
herdachten, gebruikten aanvankelijk dezelfde dag. In 325 werd in Nicea
bepaald dat het –Roomse- paasfeest voortaan zou vallen op de zondag na de
eerste volle maan na het begin van de lente in maart, maar altijd ná het
Joodse Pesachfeest.
Voor de
geboorte van Jezus had men in het begin, zoals al vermeld in hfdst.
2, weinig aandacht en men vierde het op allerlei momenten. Op een bepaald ogenblik vierde men op 6
januari zowel zijn geboorte als zijn (latere) doop in de rivier de Jordaan
door Johannes de Doper.
Waarschijnlijk
werd deze dag gekozen omdat de Egyptenaren op 6 januari ook al zo`n soort
feest vierden, namelijk de geboorte van de zonnegod Amon, waarbij het
Nijlwater een belangrijke rol speelde.
Toen
paus Julius I in 325 het
geboortefeest naar 25 december verplaatste, werd in de Latijnse liturgie de
zesde januari alleen nog gebruikt voor de herdenking van de doop van Jezus,
totdat hier het van de Oosterse kerk overgenomen Epiphania* op 6
januari, verscheen in de kalender. Uiteindelijk werd in het westen het
‘feest van de herdenking van de doop’ naar 13 januari verplaatst, zodat 6
januari exclusief voor ‘Driekoningen’ was.
In de
Oosterse ritus viert men Jezus geboorte op 7 januari, dertien dagen na 25
december, volgens de Juliaanse kalender.
Daarnaast wordt op 6 januari nog steeds Jezus` doop in de Jordaan
herdacht.
Nb.6
Januari bleef net als Pasen, heel
lang een doopdag, waarop ook het water werd gewijd. Met dit wijwater werden
huizen gezegend, waarbij men in veel landen met krijt de letters “C+M+B” op
de deur schreef, waarbij men hoopte alle kwaad op afstand te kunnen houden.
De letters staan voor de Latijnse spreuk: “Christus Mansionem
Benedicat” (Christus zegen dit
huis). De letters verwijzen ook naar de initialen van Caspar, Melchior en
Balthasar, de drie (?) wijzen uit het oosten. 20 C+M+B 08 =2008
* Epiphania betekent: de komst en
aanbidding van de Wijzen (heidenen) uit het Oosten.
ad
5. De christelijke jaartelling en het jaar 0.
Pas
nadat het Christendom in de 4de eeuw de belangrijkste godsdienst
in het Romeinse rijk was geworden, begon men een begindatum ‘te
reconstrueren’ met als scharnierpunt de geboorte van Jezus:
Welk
jaar ook Jezus`geboortejaar is geweest, in ieder geval niet het jaar 0:
Zoals
gezegd in hfdst. 2, is het onduidelijk over welke volkstelling het gaat als
we de geboorte van Jezus daarmee willen documenteren. Hieronder volgt een
vergelijking van enige gegevens bij diverse schrijvers:
Lauwrijs
komt –zonder verdere uitleg- met het jaartal 6 na Chr. aan én met 6 vóór Chr (zie hfdst. 2 ).
Hij
motiveert 6 voor Chr. met ‘de heldere ster’ en ‘Herodes die in 4 voor Chr.
opdracht geeft voor de kindermoord op alle jongetjes van maximaal twee
jaar’.
Maier komt
aan met de (kerst)volkstelling maar dan als provinciale inschrijving,
waarschijnlijk verband houdend met de volkstelling van 8 v. Chr. Ten
gevolge van langzaam draaiende ambtelijke molens zou er van de telling in
Palestina pas in 5 v. Chr. sprake zijn, want zegt hij: “8 voor Chr. is drie
jaar te vroeg om als geboortejaar van Jezus te kunnen gelden. Herodes de
Grote stierf in het voorjaar van 4 voor Chr. en omdat hij ten tijde van het
bezoek van de wijzen nog springlevend was, moet Jezus al voor die tijd (dus
in 5 v. Chr.) zijn geboren”.
Wellicht
gebruikt hij hetzelfde boek dat A.C.I. Langevel op zijn webpagina:
‘Volkstelling onder Quirinius’ bespreekt nl. Geisler
en Howe : When Critics ask;
A Handbook on Bible difficulties. Langevel zegt daarin: ‘De conclusie van Geisler en
Howe is: Er is geen reden om Lucas'
vermelding van de volkstelling ten tijde van Jezus' geboorte te verdenken.
Lucas' vertelling past in het patroon van registraties in de Romeinse
Oudheid, en het jaartal waarop deze gereconstrueerd zou moeten worden,
wanneer we ervan uitgaan dat Jezus rond 7-4 voor Christus is geboren, is
niet onredelijk. Daarnaast zou het heel goed om een plaatselijke telling
kunnen gaan, die het resultaat was van het algemene beleid van
Augustus. Lucas voorziet ons
eenvoudig van een betrouwbaar historisch verslag, van een gebeurtenis die
voor anderen kennelijk niet belangrijk genoeg was om te verslaan, of
waarvan het verslag met de tijd verloren is gegaan. Het is in ieder geval
niet noodzakelijk te concluderen dat Lucas een vergissing heeft gemaakt in
de vastlegging van historische gegevens rond Jezus geboorte. Lucas bewijst
zichzelf keer op keer als een betrouwbare geschiedschrijver, zelfs in
details.
Geisler
en Howe verwijzen naar Sir William Ramsay die reeds in 1896 in zijn werk 'St.
Paul the Traveler and Roman Citizen' noteerde dat in het verwijzen
naar 32 landen, 54 steden en 9 eilanden, Lucas geen fouten had
gemaakt’.
Degene
die ‘schuldig’ is aan de afwijking van vier of vijf jaar in de berekening
van Jezus geboortejaar, is de zesde eeuwse monnik –wiskundige -astronoom
Dionysius Exiguus (Dionysius de Kleine). Hij dateerde Jezus`geboorte in het
jaar 753 na de stichting van Rome, hoewel Herodes al in 749 A.U.C
gestorven was en zat er dus vier of vijf jaar naast.
II. De
ontwikkeling van het Kerstlied in kort bestek
‘Kerstliederen’
is een verzamelnaam voor allerlei soorten (zang) muziek behorende bij de
Kersttijd die heel
globaal (Wikipedia) ingedeeld kan worden in:
- speciaal voor kerst
gecomponeerde muziekstukken
- profane (=wereldse)
liederen die de sfeer rond Kerstmis beschrijven: de kerstman, sneeuw
of gezelligheid. Zij dateren allemaal uit de 20ste eeuw.
- religieuze kerstliederen
die over Jezus`geboorte gaan
Deze worden vaak samengevat onder het Engelse begrip ‘Carols’
en hebben soms een lange voorgeschiedenis.
Voorbeelden
van a. zijn:
* de mis: ‘Puer natus est nobis’
van T. Tallis (1501-1585)
* het ‘Weihnachtsoratorium’ van J.
S. Bach (1685-1750)
* de ‘Weihnachtshistorie’ van H.
Schütz (1585-1672)
* het ‘Concerto Grosso nr. 8 ‘Voor
kerstavond’ van A. Corelli (1653-1713)
Voorbeelden
van b. zijn:
- profane
‘Engelstalige’ liederen :
* ‘Jingle Bells’
*
‘We wish you a merry Christmas’
*
‘I `m dreaming of a White Christmas’
-
profane ‘Nederlandstalige’ liederen:
* ‘O
dennenboom’ ( n.b. de Nazi`s
gebruikten dit lied in de Duitse versie O Tannenbaum’’
om
de andere kerstliederen te verdringen)
* ‘De witte vlokken zweven’
(een ontkerkelijkte variant van ‘Es ist ein Ros entsprungen’
Voor een uitgebreid
overzicht wordt verwezen naar de webpagina van Wikipedia.
Voorbeelden
van c. zijn erg veel. De toelichting wordt daarom beperkt tot
enige periodes en landen:
- Middeleeuwse Carols (tot
1400)
- traditionele, vooral
‘Engelstalige’, carols en kerstliederen (na 1400) en de indeling ervan
- traditionele
‘Nederlandstalige’ kerstliederen
ad.1 Middeleeuwse Carols (tot 1400)
Het
woord Carol betekent oorspronkelijk een ‘kringdans, begeleid door
zangers’ ( van het Latijnse woord ‘choraula’: cirkeldans met
fluitmuziek) . Het Franse woord voor Carol is ‘Carole’. Van 1150-1350 waren
Carols ‘populaire’ dansliederen
waarbij een seizoensthema bezongen werd, vaak met een
(koor)refrein, maar het konden ook ‘hof’’dansen zijn. Vanaf
de 14de eeuw werden in Carols steeds meer religieuze onderwerpen
als Kerst (Christmas) bezongen, vaak ten behoeve van ‘mystery plays’
(kersttoneel met kribbe). Een Carol kon vanaf toen ook een ‘feestlied’
zijn, dat werd gezongen op de beweging van een processie.
Hieronder
volgen enige voorbeelden:
‘Angelus
ad Virginem’ (Gabriel
from Heven-King) was een 13de eeuwse Franciscaanse Carol die
erg populair was in Engeland. De tekst was oorspronkelijk Latijn, maar werd
wellicht door Franse broeders die het lied naar Engeland brachten, vertaald
in het Engels. Ook ‘Verbum caro
factum est’ was erg populair.
‘In
dulci jubilo’ werd
al beschreven in een verhaal van de 14de eeuwse Duitse Dominicaner monnik en mysticus
Henry Suso.
ad. 2 a. ‘Traditionele’en
andersoortige Engelstalige Carols en
Kerstliederen (na 1400) en 2b de
indeling ervan:
2a: In de oudere Carols waren de
woorden ‘syllabisch’ gezet, met weinig aandacht voor de natuurlijke klemtoon. De zanger moest de
woorden van de verzen zelf maar zien te verdelen over de beschikbare noten.
Tijdens de vroege Tudorperiode (na 1485) kwam er veel meer aandacht voor de
betekenis en klank van de woorden, zodat men zelfs de verzen van strofische
Carols geheel uit ging schrijven, maar tijdens de protestantse reformatie
(1517-1648) en het Engelse puriteinse interregnum (1649-1660) raakte de
Carol in verval: Cromwell en het
Britse parlement verboden het zingen van Kerstliederen als ‘heidens’; ze
waren voor hen ook teveel verbonden met het gehate katholicisme. Van 1645
tot 1660 was Kerstmis zelfs officieel afgeschaft.
De
traditie om Christmas Carols te zingen in ruil voor een aalmoes begon na de
Restauratie van 1660.
Stadsmusici
kregen een vergunning om in de weken voor Kerst geld op te halen, maar ook
veel carolzingende vrouwen gingen met een ‘wassail bowl’ (beker met gekruid
bier) rond bij hun buren.
De
gewoonte verspreidde zich meer en meer in de 18de en 19de
eeuw, tot nu toe.
In de
19de eeuw ontstond er een enorme revival in het schrijven van
Carols, maar de woorden Song (lied) en Carol (zie oorspronkelijke begrip)
gingen door elkaar lopen: soms noemde men ‘Song’ wat eerder ‘Carol’ had
geheten en andersom.
In de
20ste eeuw werd het zingen van Carols meer
‘geïnstitutionaliseerd’, dat wil zeggen dat het zingen van Carols veel
minder door rondtrekkende ballade-zingers of groepjes kinderen gebeurde,
maar nu vooral werd gepraktiseerd in Kerkdiensten door ‘Full Choirs’. De traditie
van kerkdiensten bestaande uit negen lezingen en Carols voor Advent en
Kerstmis, ontstaan in de Victoriaanse 19de eeuw, kreeg zijn
huidige vorm door het King`s College uit Cambridge.
2b.
De indeling van de ‘Carols’:
Het
Oxford Book of Carols ( 1928, 1ste
druk) maakt een onderscheid in vijf soorten Carols (ook buitenlandse):
1.Traditionele
Carols met hun bijbehorende melodieën (Engelse, Welshe, Ierse en
Buitenlandse) bijv.
God rest
you merry gentlemen, Sussex Carol,
Sir Chrstèmas, I saw three ships
2.Traditionele
Carol melodieën die op andere traditionele of oude teksten ‘gezet’ zijn,
bijv.
A babe
is born, Angels from the realms (les anges dans nos campagnes)
3.Moderne
teksten die geschreven zijn voor of aangepast zijn aan traditionele melodieën
, bijv.
Good
King Wenceslas, Masters in this Hall, O little Town
4.Traditionele
Carols die van melodieën zijn voorzien door moderne componisten, bijv.
Welcome
Yule, Adam lay Ybounden, Balulalow
5.Carols
van moderne schrijvers en componisten als: Snow in the street, the
Christmas tree (Christbaum)
(hier zitten Carols met ‘profane’ teksten bij)
terwijl
‘The Shorter New Oxford Book of Carols’, dat alleen Christmascarols heeft
opgenomen, deze slechts verdeelt in twee categorieën :
1. ‘Composed’ Carols van de Middeleeuwen tot
en met de 20ste eeuw, per periode, ingedeeld in ‘Engelse’ en
‘overige’ Carols, bijvoorbeeld:
Engels: 1400-1700: Ther is no rose of swych
vertu
Europees:1550-1700: Von Himmel
hoch, Es ist ein Roess entsprungen
Eind 19de
eeuw : Hark, the herald
angels sing, Once, in royal David`s city, Away in a manger
2. Traditionele Carols : Engelse –Ierse
–Amerikaanse –Duitse –Franse –Spaanse , bijv.
Engels: The
holly and the ivy, All hayle to the dayes
Amerikaans: Go tell it on the mountains, I wonder as I wander
Duits : O du fröhliche
Het
Oxford Book of Carols is muziekhistorisch meer verantwoord - hoewel het ook niet in staat is een
juiste chronologische volgorde aan te brengen in de Carols- , maar The Shorter New Oxford is zeer
overzichtelijk en dus handiger voor koren die een programma willen brengen
‘uit alle tijden’ of ‘uit alle landen’. Het pretendeert zeker
niet een compleet overzicht te zijn.
Het is
duidelijk: het indelen van Carols
-zo al duidelijk is wanneer het een Carol mag heten- is lastig en er zal dus door mij geen
poging worden gedaan nog een andere manier uit te vinden om dat te doen.
Ad
3. Traditionele Nederlandstalige kerstliederen
Net als
in Engeland, gingen ook in Nederland arme mensen langs de deuren met
bedelliedjes. Zij hadden een stok met een papieren ster eraan bij zich, die
ze ronddraaiden door aan een touwtje te trekken.
In de
Katholieke kerk zong men tussen Kerstmis en Driekoningen niet in het Latijn,
maar in de volkstaal* .
Vaak
waren de liedjes in de Kerstnacht ‘wiegeliedjes’ om het kindje – een echte
baby- in de kribbe in slaap te
sussen, zoals ‘Hoe leit dit kindeken hier in de kou’
‘Een
alre lieffelicken een’ is een 15de of 16de eeuws ‘wiegelied’ dat in
sommige verzen de liefde van de nonnen voor Jezus zeer onverbloemd
weergeeft!! :
Och,
mocht ic hem mynnen,
Hier nae
is alle myn begheert;
Al coste
my dat myn sinnen,
Hi waert
my alte mael wel wert
‘Nu
zijt wellekome’ is
oorspronkelijk een lied uit de 14de
of 15de eeuw, maar de ons bekende melodie is uit begin 17de
eeuw. Van dit lied bestaan, net als van veel andere liederen, katholieke en
protestantse versies (protestants is zonder Maria bijvoorbeeld).
‘Midden
in de Winternacht’ heeft een oude, 17de of 18de
eeuwse ‘Franse’ tekst en melodie : ‘Quand le sauveur Jésus Christ’ of ‘Bon
Joseph, écoutez moi’, die weer teruggaat op het Catalaanse(?) of Spaanse
lied: El Desembre congelat. Pas in 1948 werd de Nederlandse tekst
gepubliceerd in ‘Tafelrede en andere gedichten’ van H.Prenen.
‘O
Kerstnacht! Schoonder dan de dagen’’ heeft een tekst van de 17de eeuwer Joost
van den Vondel en een melodie waarschijnlijk afkomstig uit de ‘kunstmuziek’
want deze is moeilijk zingbaar. Later zijn hier vele bewerkingen van
gemaakt, door Bach en Ton Koopman bijvoorbeeld.
Hoewel
sommigen op grond van de gebruikte tekst ‘De herdertjes lagen bij
Nachte’ uit de Middeleeuwen
laten stammen, vermoedt Michel van der Plas in zijn biografie Vader
Thijm dat ‘de 19de eeuwer J. A. Alberdingk Thijm de
eigenlijke schrijver is van de tekst, waarin hij zijn uiterste best heeft
gedaan om de ‘volkstoon’ te treffen’.
Ons
meest bekende kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’ dateert oorspronkelijk uit 1818. De tekst
is van de Oostenrijkse kapelaan Joseph Mohr en de melodie van Franz Gruber.
Rond 1900 is er een Nederlandse tekst op gemaakt.
Echter:
De meeste Nederlandse kerstliedjes zijn, hoewel er soms trad. (=
traditioneel kerstlied), of ‘Oud
Vlaamsch Kerstlied’ bij staat pas voor het eerst in de 19de eeuw
in druk verschenen. Ze dateren hoogstens uit de 18de eeuw, maar
zijn meestal gewoon 19de eeuws, net als heel veel ‘Carols’ (zie
ad. 2).
*Nb. in
de Protestantse kerken zong men altijd in de volkstaal
Gebruikte
boeken/ artikelen:
Marita
Kruijswijk/ Marian Nesse, Nederlandse jaarfeesten en hun liederen door de
eeuwen heen, Hilversum 2004
Bart
Lauvrijs, Een jaar vol feesten: Oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de
belangrijkste jaarfeesten, Antwerpen 2004
Paul
Maier, En het geschiedde….De historische gegevens rond de geboorte van
Jezus, (vertaling van The first Noel 1999), Zoetermeer 2003
H. Keyte, A. Parrott, The Shorter New Oxford Book of Carols, Oxford, 1993
P. Dearmer, R. Vaughan Williams, M. Shaw,
The Oxford Book of Carols, Oxford
1964 (1928 1ste druk)
C.A.
Hansson, Het Kerstlied en zijn historie, artikel december 2000 (t.b.v.
zangworkshop)
The New
Grove (muziekencyclopedie): ‘Carols’
Geraadpleegde
webpagina`s:
http://www.ethesis.net/duivel/duivel_deel_3.htm
(over de Isis- en Mithrascultus)
http://kingsgarden.org/Nederlands/Organisaties/LCC.nl/VKVISIE/199903/mariafee.htm
(over Maria)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Christendom_en_syncretisme
http://nl.wikipedia.org/wiki/Kerstmis
http://nl.wikipedia.org/wiki/Mithras
(over de Mithrascultuur)
Volkstelling
onder Quirinius: een historisch probleem? bespreking
van: Geisler, Norman L. & Thomas Howe. When Critics ask; A Handbook on Bible difficulties Wheaton, IL:
Victor, 1992
http://nl.wikipedia.org/wiki/Kerstmuziek
http://en.wikipedia.org/wiki/Christmas_song
http://www.dick.wursten.be/index.htm
( geschiedenis van enige Nederlandse kerstliederen)
Terug
naar boven of naar de pagina historie of naar de pagina muziek of naar de homepage van Charlotte Anna Hansson
|