|
terug
naar webpagina: Muziek óf Homepage
Charlotte Anna Hansson KERKMUZIEK IN DE LATE
MIDDELEEUWEN /RENAISSANCE EN DE VROEGE BAROK Hoe zag een compositie eruit? Alle stemmen stonden op
een groot blad geschreven waar men om heen stond. Men zat ook wel rond de
tafel en dan kon ieder de eigen stem lezen. Later ontstonden aparte
stemboekjes.
Hieronder een afbeelding
waarop uit vijf aparte stemboekjes dezelfde regel onder elkaar is gezet.
Superius = sopraan ; Tenor
= tenor (vaak belangrijkste/ melodie partij); Bassus = bas ;
Contratenor =(later) de alt partij;
Quinta pars= 5de stem
Alle noten staan zoveel mogelijk binnen de vijf
lijnen. Er waren geen hulplijnen. De ‘sleutel’ werd verplaatst om dat
mogelijk te maken. Hieronder een klein overzichtje van de gebruikte sleutels
(4):
Er zijn geen
maatstrepen, waardoor men vloeiender zingt. Men ziet ook de andere partij
niet en kent de lengte van elkaars rusten niet,
waardoor men beter naar elkaar luistert. Op het einde van elke
regel staat een teken (2) ‘custos’ of ‘wächter’ geheten, dat aangeeft op
welke hoogte de volgende regel begint. De eerste letter is
–indien handgeschreven- vaak mooi versierd. In de tekst staan vaak
afkortingen: Een soort streepje boven een u (bijv. meữ)
geeft aan dat er een m achter
moet. Er staat dus: meum. Nỡ betekent: non.
Als er, zoals in de superius en quinta pars, in de
tekst .ij. staat, betekent dat dat dezelfde tekst nogmaals gebruikt moet worden (idem). Men moet vaak zelf de
tekst over een serie noten ‘verdelen’. Rusten (3) zijn
verticale strepen van verschillende lengte tussen de lijnen. Hieronder is afgebeeld
het voorblad van een apart ‘bas’ stemboekje.
Waarom ontstond er ca. 1500 een andere wijze van
componeren en noteren? Franco_Vlaamse
componisten schreven 4,5 of 6 stemmige polyfone
werken. Hoe meer stemmen hoe ingewikkelder het weefwerk van geluiden. Een ‘simpel’ 2 stemmig
voorbeeld staat hieronder. Belangrijke componisten
waren in die tijd Johannes Ockeghem, Jacob Obrecht, Josquin des Prez, Palestrina en di Lasso.
Het Concilie van Trente (1545- 1563) –bedoeld om maatregelen te nemen
tegen de uitwassen van de katholieke kerk- wilde de
polyfonie verbannen uit de liturgie omdat men de religieuze tekst niet meer
kon verstaan en dus helemaal niet kon begrijpen. Door de Reformatie
(Luther) werd de muziek in de volkstaal gezet en vaak unisono gezongen door
de hele gemeente. Onder invloed van de
ontwikkelingen bij de ‘Opera’ (begin 17de eeuw= vroege Barok) waar
het ‘woord’ belangrijker werd dan de ‘muziek’, werd de kerkmuziek zoals bijv. in het
Oratorium, uiteindelijk steeds homofoner van karakter ( Pergolesi bijv.), maar
componisten als Schütz en Bach bleven ook veel
polyfonie toepassen. Door de verbeterde
druktechnieken werd het in de 17de eeuw steeds beter mogelijk om
de stemmen goed ‘onder elkaar’ te drukken en dan verdwijnen de aparte
stemboekjes. Terug naar boven |
||||||||||||||||